Ronny McFadden

Ronny McFadden

De maaltijden aan boord zijn monotoon. De keuze is zeer beperkt. De enige variatie is dat hoe langer de tocht duurt, hoe minder groenten de gebakken rijst bevat. Bij die maaltijden kom ik de andere westerlingen op deze boot tegen. Het zijn drie andere Nederlanders, een Deense die Nana heet en een alleenreizende Schot die natuurlijk Ronny heet. Ronny McFadden. In zo’n groep neem ik vaak de rol op mij van de stille. Degene die niet zoveel te vertellen lijkt te hebben. En zo lang er maar vooral mannen in zo’n groep zitten lukt dat ook. Maar de meeste vrouwen hebben een instinct voor stille mannen. Die denken dat daar altijd meer achter zit. Zo ook Nana; ze trekt tijdens een van die maaltijden alles uit me wat ze wil weten. Maar verder hield ik het stil. Ik ben beter in denken dan in spreken.

 

Ronny zoekt mij vaak op. Alleenstaande mannen onder elkaar. Om die gesprekken zo kort mogelijk te houden ben ik het met alles eens wat hij zegt en blijft hij tevreden. Ik stel geen tegenvragen. Dat is niet welopgevoed maar beter voor mijn gemoed. Hij wil zijn voorliefde voor de Aziatische vrouwen met mij delen, en dan vooral de Thaise. Hij reist zes maanden per jaar door dit werelddeel. In de zomer werkt hij in Edinburgh. Hij zit in de ‘designer clothes’. Hij noemt achteloos wat grote merken op. Ralph Lauren, Gant, Donna Karan. Het lijkt mij geen type ‘vlotte verkoper’. Maar even later blijkt dat hij in het magazijn werkt en de spullen uitpakt en prijst. Het is geen slechte kerel.

 

We meren af en liggen stil op een vreemde lege plek. Al snel komen er aan wal van alle kanten mensen aan met manden vol eten, kisten met koele drankjes en op hun hoofden grote schalen vol bananen, papaya en watermeloen. Waar ze vandaan komen is een raadsel, maar het is zo te zien een buitenkansje voor hen. Zo’n grote veerboot vol potentiële kopers. Waarom we stilliggen wordt pas na een klein uur duidelijk. Er is vannacht een monnik gestorven op het schip. En die moet van het schip af. Maar niet zonder de nodige ceremonies. En ze hebben een bed nodig. In de verte komt het al aan. Een mooi witgeschilderd spijlenbed. Het moet nog in elkaar gezet worden, maar dan staat het daar ook mooi aan het strandje. Voorzichtig wordt de dode monnik over de loopplank naar het bed gedragen. Een tiental andere monniken erachteraan. Het stoffelijk overschot wordt precies in het midden van het bed gelegd en dan verdwijnt iedereen weer aan boord. De mensen aan wal pakken hun handeltjes op en lopen door de velden terug naar hun hutten. De scheepshoorn klinkt en we varen weer. Langzaam verwijdert het schip zich van de oever en alleen dat helderwitte bed met die vredige dode monnik erop staat daar nog in het witgele zand. Een surrealistisch plaatje. En ik vraag me af wie er nu verder voor die monnik ging zorgen.

 

We waren weer twee uur achteropgeraakt op ons vaarschema. Ik ging naar boven en vroeg aan mijn nieuwe vriend, de kapitein, hoe laat we nu in Mandalay aan zouden komen. Hij ging met zijn vinger een keer of vier rond de wijzerplaat van zijn horloge en zei toen: ‘If the other monks stay alive, twelve, twelve o clock’.